Het Friese Hoen

De geschiedenis.
Het Friese Hoen is al eeuwen oud. En is, zoals zijn naam al doet vermoeden, ontstaan in Friesland. Het Friese Hoen staat net als het Drentse Hoen dicht bij de oorspronkelijke wilde kip, het Bankivahoen.
De Bankivahoenders zijn de voorouders geweest van de huidige hoenders.

Het Friese kippenras heeft een lange geschiedenis. In 1565 verscheen een mededeling over het verbieden van de uitvoer van vee uit Fryslân, waaronder ook de z.g. weiten hinnen. Dat is vanouds de benaming van de Friese kippen.
In die tijd kwam het ras nog in ruime mate voor. Vanaf 1900 werd de positie van het ras langzamerhand minder sterk. Dat kwam door de invoer van "nutsrassen" waartoe de Friese kippen niet werden gerekend. Kippen van rassen als de Leghorn en de Wyandotte legden meer en grotere eieren. Ze waren bovendien zwaarder en leverden dus meer vlees.

Mensen die van de kippenhouderij hun beroep maakten, kregen daardoor hogere opbrengsten en dus meer verdiensten. Bij die invasie van nieuwe rassen werd vergeten dat de Friese kippen met weinig voer, in verhouding tot de lichaamsgrootte, veel eieren leggen. Het ongunstige tij was echter niet te keren. De vooroordelen over het Friese ras bleven bestaan, de Friese kippen waren aan de verliezende hand.

Uiterlijke kenmerken en eigenschappen.
Het Friese Hoen is een vitaal en sterk ras. Opvallend aan de hennen is de vrij grote kam met vijf punten. Daarnaast zijn het uitstekende eieren legsters, die niet of nauwelijks broeds worden. Ze komen maar liefst voor in elf verschillende kleurslagen. Het ras is bijzonder populair.
De meest opvallende kleuren zijn de zilvergrijze en de bruine.